Er is een gedachte die me bezighield tijdens het schrijven van mijn boek. Een vraag eigenlijk: wat zou Rudolf Steiner van mijn boek vinden? Ik was bang dat hij bezwaar zou maken. Dat hij de vermenging van de antroposofie met het taoïsme zou afwijzen. Steiner was immers uitgesproken in zijn opvattingen over oosterse tradities, die zouden niet passen bij de westers-Europese ziel. Maar op een middag, terwijl ik achter mijn laptop zat en de vraag weer door mijn hoofd spookte, kwam er ineens een innerlijk beeld tot mij.Ik voelde Rudolf Steiner zijn handen op mijn schouders, alsof hij mij een vaderlijk, bemoedigend schouderklopje gaf. Ik wist toen dat hij mijn werk niet afwees, maar juist vanuit de geestelijke wereld aanmoedigde. Dit voelt kwetsbaar om te vertellen. Maar ik doe het nu toch. Weet je waarom? Omdat ik nu mijn boek de wereld in is, ik weer een andere angst voel. Wat zouden de antroposofen er van vinden? Begrijpen zij dat ik naar hetzelfde ben geleid, alleen via een andere toegangsdeur? En zijn ze daar oké mee?
Dat wil ik uitleggen.
Steiners bezwaar: het oosten past niet bij de westerse ziel
Rudolf Steiner vertrok met de antroposofie bewust vanuit de westerse esoterische traditie: rozenkruisers, hermetisme, Goethe, christelijke mystiek. Hij was vrij uitgesproken. Steiner vond dat westerse mensen die zich op oosterse systemen richten, iets missen wat al in hun eigen traditie aanwezig is. Dat ze daarmee zichzelf voorbijlopen.
Zijn grootste bezwaar richtte zich met name op het boeddhisme. Dat ziet het ego als illusie die opgeheven moet worden. Het doel is anatta: niet-zelf. Loslaten, oplossen, transcenderen. Het individuele ik is het probleem.
Steiner zag dat als fundamenteel niet passend bij de westerse ontwikkelingsstroom. Hij geloofde juist dat het westerse bewustzijn het individuele ik moest ontwikkelen. Het ik als drager van vrijheid en bewustzijn. Dat was voor hem heilig.
Hier ben ik het met hem eens. Het ego is iets wat bedoeld is om te rijpen, te transformeren, dienstbaar te worden. Niet oplossen, maar juist doorleven. En daar sluit het taoïsme naadloos op aan. De Tao vraagt niet om het ego te vernietigen, maar om terug te keren naar je natuurlijke zelf, door af te stemmen op de stroom die in de natuur beweegt én in jou.
Van Johannesbau naar Goetheanum
De basis van Steiner zijn geesteswetenschap ligt voor een groot deel in het werk van Goethe. Om te begrijpen waarom Steiner zo van Goethe hield, is het goed om eerst te kijken naar iets wat niet iedereen weet: het Goetheanum in Dornach was oorspronkelijk helemaal niet naar Goethe vernoemd.
Hans Stolp beschrijft dit in zijn boek Het lijden van Rudolf Steiner: Gedreven door liefde. Het gebouw heette aanvankelijk het Johannesbau, vernoemd naar Johannes, de meestgevorderde leerling van Jezus Christus. Steiner wilde zijn gebouw wijden aan de nieuwe mysterieën, het esoterisch christendom. Zijn diepste doel was de ontwikkeling van de mens mogelijk te maken. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken moet de mens zich leren verbinden met de Christus, zodat hij de Christusgeest in zich op kan nemen. Dan kan de mens van het ego naar het hogere ik groeien. Volgens Steiner is dat de opdracht van de mens in deze tijd.
Maar na de Eerste Wereldoorlog veranderde het publiek dat naar Dornach kwam. Niet langer de mystiek georiënteerde leerlingen van vroeger, maar mensen met een veel wetenschappelijkere instelling. Ze kwamen met concrete vragen: hoe kon de samenleving worden omgevormd zodat er geen oorlog meer zou komen? Steiner begon zijn leerlingen concrete oplossingen aan te dragen over onder andere onderwijs, landbouw en geneeskunde.
In Goethe zag hij een wetenschappelijke benadering die hem aansprak en een bondgenoot: iemand die de wereld zorgvuldig bekeek, maar ook voelde dat er meer was. Maar ik denk dat we mogen stellen dat het Goethenatisme mag worden gezien als een opstap naar het grotere verhaal dat Steiner werkelijk bezighield: het Christusmysterie. Dat hij daar nooit volledig aan toe is gekomen, moet hem pijn hebben gedaan. Zijn hart lag daar. Hij moest alleen tot zijn spijt een stapje terug doen.
Wat ik zie is dat Steiner zijn toegangspoort aanpaste aan wie er voor hem stond, omdat hij de mensen wilde bereiken via de weg die bij hen paste. Steiner koos de wetenschappelijke omweg van Goethe.
Waarom juist Goethe, en wat hem bijzonder maakt
Maar waarom koos Steiner voor Goethe als wetenschappelijke brug? Niet zomaar omdat Goethe een groot denker was. Goethe was bijzonder omdat hij zich als wetenschapper verzette tegen de analytische wetenschap van zijn eigen tijd, met name die van Isaac Newton.
Waar Newton licht wilde ontleden in wiskundige componenten, wilde Goethe het levende organisme en de ervaring in haar totaliteit begrijpen. Hij weigerde de natuur te reduceren tot formules en deeltjes. In plaats daarvan ontwikkelde hij een manier van kijken die hij de aperçu noemde: het moment waarop je het levende geheel ineens ziet, in een flits van intuïtief begrip. Niet via redenering, maar via aanschouwing.
Het Urphänomen, het oerfenomeen, is de grens van ons menselijk begrip: wanneer je dit aanschouwt, ervaar je het zien van het geheel. Het is geen theorie die je leert. Het is een moment dat je overkomt.
En daarmee gaat Goethe al behoorlijk richting het taoïsme. Want die aperçu, dat plotselinge zien van het geheel, kennen taoïsten ook. Het is het moment waarop je niet meer denkt maar herkent. Niet het hoofd dat concludeert, maar het hele wezen dat weet.
Ik zie hier deze lijn in:
- Newton ontleedt → Goethe aanschouwt → Taoïsme ervaart
Het zijn drie punten op dezelfde as, steeds verder van het hoofd en dichter bij het lichaam. Steiner koos Goethe als brug naar zijn wetenschappelijke publiek. Goethe was bewust geen puur hoofd-mens. Maar de weg ernaar toe bij Goethe loopt wel via het hoofd.
Ik denk dat het taoïsme voor de mens van nu weer een stapje dichter op de as richting voelen is, en het voor de vele voelers van deze tijd een fijne toegangspoort kan zijn tot afstemming en zelfontwikkeling.
Steiner zag in Goethe de metamorfoseleer als sleutel voor alles. Goethe had ontdekt dat de natuur nooit stilstaat. De oerplant, de Urpflanze, was voor hem geen ding maar een beweging. Een principe dat zich steeds anders uitdrukt. Blad wordt kelkblad wordt bloemblad wordt vrucht. Alles is één doorlopende metamorfose.
De natuur is voor Goethe nooit een zelfstandig naamwoord. Altijd een werkwoord.
Steiner gebruikte dit als sleutel voor alles: plantengroei, menselijke ontwikkeling, geschiedenis, karma. Het werd voor hem het bewijs van een universeel levend principe dat zich door alle vormen heen uitdrukt.
Het taoïsme beschrijft hetzelfde principe
Dat principe, de werkelijkheid als levende beweging, is ook de kern van het taoïsme en de vijf elementenleer. Tao is het onbenoembare bewegingsprincipe achter alles. Goethes Urphänomen is ook een onbenoembaar bewegingsprincipe. Beide zeggen: de werkelijkheid is levend, beweegt, transformeert voortdurend, en er zit een innerlijke wetmatigheid in die je kunt leren zien, maar niet volledig in een systeem vangen.
Goethe deed dit via het Europese natuuronderzoek en de christelijke mystiek. Het taoïsme via de Chinese natuurfilosofie. De vijf elementenleer is een model dat gedaante geeft aan deze beweging.
Steiner was zelf een eclecticus
Dit brengt me bij een ander punt dat ik belangrijk vind om te maken, zeker voor wie vanuit de antroposofie naar mijn werk kijkt.
Ondanks Steiner zijn waarschuwing aan westerse mensen, was hij zelf allesbehalve een purist. Hij putte uit rozenkruisers, vrijmetselarij, Egyptische mysteriën, boeddhisme, hindoéïsme, christelijke mystiek en Griekse filosofie. Hij vertaalde en verwerkte al die bronnen en sloot ze niet uit. Bovendien zijn Aristoteles en de Griekse filosofie op hun beurt beïnvloed door Egyptische en Mesopotamische tradities. Westerse esoterie is altijd een smeltpot geweest.
En als hij Goethes metamorfoseprincipe beschouwde als universele waarheid, dan kon hij niet tegelijkertijd ontkennen dat het taoïsme hetzelfde principe beschrijft.
Steiner zelf zei dat alle mysteriescholen in de kern hetzelfde kennen, alleen de weg erheen verschilt per tijdperk en cultuur.
Twee wegen naar binnen
Wat dan wél verschilt, is de manier waarop het principe zich aandient aan mensen en de weg waarlangs zij het binnenkomen.
Goethe benadert het metamorfoseprincipe via waarnemen en denken. Je moet het begrijpen om het te voelen. Steiner bouwde daarop voort en maakte het nog abstracter, nog intellectueler. Rijke, waardevolle kennis, maar je komt er via het hoofd.
Het taoïsme draait het om. Je ervaart het eerst, en het begrip komt later, of helemaal niet, en dat is prima. De Tao die je volledig kunt benoemen is niet de eeuwige Tao.
- Goethe / Steiner: verfijnd waarnemen → inzicht → herkenning van het levende
- Taoïsme: zijn in de stroom → ervaring → begrip als bijproduct
Voor mij werkt de tweede weg. Ik leer door te ervaren. Het taoïsme sprak me aan niet omdat ik het begreep, maar omdat ik het herkende, in mijn lijf, in de seizoenen, in hoe mijn eigen leven zich beweegt. Eerst weet ik het in mijn lijf. Dan pas begrijp ik het.
Dit gaat niet over opleidingsniveau. Het gaat over kennisweg. Er zijn hoofd-eerst mensen: zij analyseren, begrijpen, en ervaren daarna. En er zijn lijf-eerst mensen: zij ervaren, voelen, en begrijpen later, of niet, en dat is ook goed. Beide wegen zijn volwaardig. Ze leiden alleen via een andere deur.
Het taoïsme vraagt niet dat je het eerst begrijpt voor je het kunt leven. De drempel ligt in het lichaam, niet in het hoofd. Dat maakt het toegankelijk voor iedereen die primair via ervaring, intuïtie en gevoel in het leven staat, en dat is een veel groter publiek dan alleen academisch gevormde mensen.
Via een andere deur bij hetzelfde uitgekomen
Ik ben via ervaring, via de natuur, via het leven zelf terug uitgekomen bij Rudolf Steiner. Want ik ben naar de als kind en tiener naar de Vrije School gegaan. Via het taoïsme ben ik niet weggeleid van mijn eigen wortels, maar ben ik juist weer teruggeleid.
En dat is ook wat in mijn ogen Steiner bedoelde met innerlijke ontwikkeling: de weg vinden die bij jouw ziel past. En leren luisteren naar je eigen innerlijke stem.
En in de praktijk van vandaag
In de huidige tijd geeft het taoïsme en de vijf-fasen-leer bovendien heel praktische handvaten om je af te stemmen op de natuur en daarmee op jezelf. Dat is geen oosters systeem dat je opplakt op een westers leven. Dat is luisteren naar hetzelfde ritme dat Goethe zag in zijn planten, dat Steiner beschreef.
Het principe is universeel. De weg ernaar is persoonlijk. En ik denk dat deze route voor de voelers onder ons wel eens de kortste weg kan zijn.
Sanne schrijft over innerlijke ontwikkeling, natuurritme en de vijf fasen van energie via Natural Flow studio.
Haar boek De weg van binnenuit is nu verkrijgbaar.
